Posts

Fantasia (Concerto) in G BWV 571 – Track 26

Afbeelding
In 1702, toen Bach zijn opleiding aan het gymnasium alweer afsloot, verloor hij daarmee zijn kost en inwoning in Lüneburg; hij verschijnt weer op de radar in maart 1703, als hij voor een paar maanden als lakei in dienst komt aan het hof in Weimar. Dat hij daar ook als violist in het beroepsorkest én als hoforganist is opgetreden, is niet onwaarschijnlijk: toen hij eind 1703 het nieuwe Wender-orgel inspeelde in de Neue Kirche in Arnstadt werd hij aangekondigd als ‘hoforganist te Weimar’. Deze jaren voor 1704 zijn een tijd vol veranderingen: in 1703 werd hij na de ingebruikname meteen ook de nieuwe organist van de Neue Kirche in Arnstadt, zijn eerste aanstelling als hoofdorganist op een weliswaar niet groot maar wel splinternieuw orgel. We kunnen niet exact zeggen welk werk Bach heeft geschreven tijdens zijn tijd in Weimar als ‘lakei’. Maar wel is er een werk uit ongeveer deze periode dat daarvoor in aanmerking zou kunnen komen, en dat is de Fantasia in G BWV 571. Aan het hof i...

Preludium en Fuga in C BWV 531 – Track 24 en 25

Afbeelding
Deze scheppingsperiode, waar Bach in Lüneburg voor het eerst kennismaakt met Georg Böhm, sluit af met de virtuoze Preludium en Fuga in C. Dat Bach hechte banden had met Böhm werd in 2006 nog eens bevestigd door de ontdekking van een kopie die Bach maakte van Reinckens ‘An Wasserflüssen Babylon’, waar in het papier dat hij daarvoor gebruikte, Böhms watermerk gevonden werd. Dit werk volgt het volgende stramien: Preludium: pedaalsolo (16den) – preludium met pedaal (voornamelijk 16den) –   virtuoos naspel ( met 32sten) Fuga: expositie (stemmeninzet van boven naar beneden) – ‘nep’ pedaal inzet (niet gehele thema) – divertimento – herexpositie met pedaalinzet – virtuoos naspel met 32sten. Vaak is gewezen op de invloed van Böhm in dit werk, vooral met diens Preludium in C, die ook met een pedaalsolo aanvangt met lange tijd de drieklank op C als ‘materiaal’. Nog vaker is ook gewezen op de ‘onrijpheid’ van het werk, de harmonische trivialiteit in het Preludium en de afwez...

Herr Gott, nun schleuss den Himmel auf BWV 1092 – Track 23

Afbeelding
Herr Gott! nun schleuß den Himmel auf, mein' Zeit zum End sich neiget; ich hab' vollendet meinen Lauf, des sich mein' Seel' sehr freuet, hab' g'nug gelitten, mich mud' gestritten, schick mich fein zu zur ew'gen Ruh. Las fahren, was auf Erden, will lieber selig werden. De Lofzang van Simeon oftewel het Nunc dimittus vormt de basis voor de tekst van Tobias Kiel (17 de eeuw) van dit lied: de oude Simeon kon eindelijk sterven nu hij de kleine Jezus in zijn handen had gehouden, zoals hem beloofd was. Een dankbaar onderwerp voor het piëtisme, waar de persoonlijke ervaring een grote rol speelt. De melodie is van de eveneens (vroeg) 17 de eeuwse Michael Altenburg: Opvallend in deze melodie zijn de vele kleine intervallen, de (kleine) secunde komt het meest voor, sprongen groter dan een terts vallen meestal tussen de regels. Zeer interessant is nu om te zien hoe Bach deze melodie bewerkt. Weer neemt hij de tekst als lei...

Jesu meine Freude BWV 1105 -Track 22

Afbeelding
In de periode rond 1701 vinden we in de recent (1985) ondekte Neumeister Sammlung nog twee koralen. Jesu meine Freude is een lied voor de kerstperiode, maar de 17 de eeuwse piëtistische tekst van Melchior Franck   spreekt meer van de relatie van de gelovige met Jezus, dan dat die verhalend is over de geboorte. Jesu, meine Freude, Meines Herzens Weide, Jesu, meine Zier, Ach wie lang, ach lange Ist dem Herzen bange Und verlangt nach dir! Gottes Lamm, mein Bräutigam, Außer dir soll mir auf Erden Nichts sonst Liebers werden. De melodie is van Johann Crüger uit 1653, gepubliceerd in diens beroemde Praxis pietatis melica : Echter, ten tijde van Bach was de melodie enigszins aangepast: Bachs bewerking is van deze periode wel een van de meest interessante en meest expressieve. Feitelijk zien we hier weer het model ‘minipartita’ waarbij Bach bijna per regel de textuur verandert, hoewel in dit geval de maatsoort gedurende de bewerking ongewijz...

Was Gott tut, das ist wohlgetan, BWV 1116 - Track 21

Afbeelding
Was Gott tut, das ist wohlgetan! Es bleibt gerecht sein Wille; Wie er fängt meine Sachen an, Will ich ihm halten stille. Er ist mein Gott, der in der Not Mich wohl weiß zu erhalten, Drum laß' ich ihn nur walten. Een koraal uit de rubriek ‘vertrouwen’: een nog steeds bekende en geliefde melodie, met een wat onduidelijke ontstaansgeschiedenis inzoverre dat verschillende componisten eraan gewerkt hebben. De tekst is van Samuel Rodigast uit 1675; enigszins verwarrend is dat er een andere melodie bestaat die al in 1650 wordt gevonden bij Samuel Scheidt, met eveneens de titel “Was Gott tut, das ist wohlgetan”.   De melodie werd veelvuldig bewerkt, o.a. door Johann Pachelbel, die een verzameling variaties uitgaf over de koralen Christus der ist mein Leben, Herzlich tut mich verlangen, Alle Menschen müssen sterben en deze melodie; Pachelbel noemde de verzameling ‘Musicalische Sterbensgedancken’ (gedachten over het sterven); zo strikt gescheiden waren de rubrie...

Werde munter, mein Gemüte BWV 1118 - Track 20

Afbeelding
Werde munter mein Gemüte, Und ihr Sinne geht herfür, Daß ihr preiset Gottes Güte, Die er hat getan an mir, Da er mich den ganzen Tag Vor so mancher schwerer Plag, Vor Betrübnis, Schand und Schaden Treu behütet hat in Gnaden. Nog vier koralen in deze periode (rond 1701) van Bach’s leven, voordat deze periode wordt afgesloten met het virtuoze Preludium en fuga in C BWV 531. Werde munter mein Gemüte is een zogenaamd avondlied, bedoeld om aan het eind van de dag te zingen ter vertroosting na alle moeite van de dag. De tekst is van de 17 de eeuwse Johann Rist, de melodie van Johann Schop (eveneens 17 de eeuws).   Bach zou later een aantal zettingen in cantates schrijven over het 5 de vers van dit gezang: Bin ich gleich vor dir gewichen (Cantate 55 en 244); maar de koraalmelodie zelf is vooral bekend door de toepassing van de alternatieve tekst   ‘Jesu bleibet meine Freude’ (cantate 147) op dezelfde melodie. Het koraal kende Bach in deze vorm: ...

Herzlich lieb hab ich dich, o Herr BWV 1115 - Track 19

Afbeelding
Herzlich lieb hab' ich dich, o Herr, Ich bitt', woll'st sein von mir nicht fern Mit deiner Güt' und Gnaden. Die ganze Welt nicht freuet mich, Nach Himmel und Erd' nicht frag' ich, Wenn ich dich nur kann haben; Und wenn mir gleich mein Herz zerbricht, So bist doch du mein' Zuversicht, Mein Teil und meines Herzens Trost, Der mich durch sein Blut hat erlöst. Herr Jesu Christ, Mein Gott und Herr, mein Gott und Herr, In Schanden laß mich nimmermehr! Hoewel een koraal in de categorie ‘sterven en begraven’ ademt de tekst (van de hand van Martin Schalling, 1569) positiviteit. Een ‘kerntekst’ is in het einde van vers 2 en het begin van 3 te vinden: Mein Herr und Gott, mein Herr und Gott, Tröst mir mein' Seel' in Todesnot! Ach, Herr, laß dein' lieb' Engelein, Am letzten End' die Seele mein, In Abrahams Schoß tragen! - dat laatste vers is ook in de Johannes Passion te vinden. De melodie is van een onbekende compon...